Bloedonderzoek

Voor bloedonderzoek wordt er een beetje bloed afgenomen uit de hals- of pootader

Het lichaam is een prachtig ingenieus systeem.

Bloed vormt een zeer belangrijk onderdeel in het handhaven van dit systeem. Het bloed zorgt voor het

transport van alle benodigde bouwstoffen, voedingsstoffen, brandstoffen en zuurstof naar alle weefsels

in het lichaam. Het zorgt voor de aan- en afvoer van afweercellen op plaatsen waar het nodig is om

vijandige antistoffen te lijf te gaan. Bij alle processen die plaatsvinden in de cellen en organen komen

afvalstoffen vrij, deze worden door het bloed naar lever en nieren getransporteerd.

 

Het bloed is een bron van informatie.

Met bloedonderzoek komen we veel te weten over het goed of niet goed

functioneren van het lichaam, met al zijn organen. Het standaard bloed-

onderzoek omvat de nierwaarden, de leverwaarden, de eiwitten, glucose

en de bloedzouten natrium en kalium. Een uitgebreider bloedonderzoek

omvat nog veel meer parameters, zoals het rode of witte bloedbeeld, het

schildklierhormoon (T4), fosfaat, calcium, alvleesklierenzymen (PLI, TLI ),

en zo zijn er nog veel meer metingen die gedaan kunnen worden.

 

 

Bloedonderzoek is belangrijk bij ziekte , maar óók bij ‘gezonde’ dieren.

Van alle dieren die er gezond uitzien bij de jaarlijkse gezondheidscontrole blijkt 10% een verborgen ziekte

te hebben. Bloedonderzoek kan hierbij sluimerende aandoeningen naar voren brengen. Door het vaststellen

van een ziekte nog voordat de symptomen er zijn, kunnen we eerder met de behandeling beginnen waar-

door er meer kans op herstel zal zijn en uiteindelijk vaak ook minder behandelingskosten.

 

Het testen van gezonde dieren geeft bovendien de normale basiswaarden voor uw dier, die later ter

vergelijking kunnen dienen, zodat er dan beter is te zien of de waarden daadwerkelijk zijn verhoogd of niet.

 

Voor bloedonderzoek wordt er een beetje bloed afgenomen uit de hals- of pootader.

Het dier voelt hier niets van en u kunt er gewoon bijblijven.

 

 

Nieren

 

De nieren zorgen voor de afvoer van afvalprodukten vanuit het lichaam via

de urine. Ook spelen zij een rol bij de handhaving van de bloeddruk en bij de

aanmaak van nieuwe rode bloedcellen.

De nierfunctie wordt o.a. gemeten door de waarden ureum en kreatinine.

Ureum is een afbraakprodukt van eiwitten, dit wordt door de nieren uit het

bloed gefilterd. De ureum kan verhoogd zijn als de nieren onvoldoende

werken of als er teveel eiwitten worden afgebroken, bv bij inwendige bloedingen

waardoor veel aanbod van bloed-eiwitten of als er verhoogde spiereiwit afbraak

is door aandoeningen die de stofwisseling verhogen (oa. koorts, hyperthyreoidie).

Kreatinine. Deze waarde geeft rechtstreeks het functioneren van de nieren weer. Echter deze waarde is pas

verhoogd als er meer dan 70% van de nieren niet meer functioneert!

Dus als de waarde goed is zegt dat niet helemaal dat er geen nierschade is. Als er verder geen ‘niersymptomen’

zijn, kan men daar echter wel van uitgaan. Maar zijn er wel niersymptomen  aanwezig (bv veel drinken en plassen)

dan is verstandig om verder onderzoek naar de nierfunctie te doen (urine onderzoek: eiwitmeting en

bacteriologisch onderzoek).

Als de kreatinine verhoogd is, dan is er sprake van meer dan 70% nierschade.

 

Lever

De lever is een groot orgaan met veel verschillende functies. Het ontgift het

bloed door bacteriën en gifstoffen te verwijderen. Ook worden veel complexe

voedingstoffen verder afgebroken in kleinere bestanddelen die door de rest van

het lichaam gebruikt kunnen worden.

Tevens worden hier stollingsfactoren en eiwitten gemaakt die nodig zijn voor het

behoudt en het functioneren van het lichaam.

Als de leverenzymen verhoogd zijn kan dat wijzen op een leverontsteking, deze

kan primair of secundair zijn. Aan de hand van de soorten verhoogde enzymen

kan men de ernst inschatten en of het meer een aandoening is van het parenchym (de levercellen) of de galwegen.

 

ALAT: zeer leverspecifiek enzym, geeft beschadiging van de levercellen aan. Verhoging bij geringe, vaak

reversibele beschadiging en bij intoxicaties.

AF: Verhoging kan wijzen op leverbeschadiging.  Verhoging kan echter ook wijzen op tumor of beschadiging

van bot, nier, galgang of darmen.  Flinke verhoging bij galwegobstructie.

Een verhoging van AF kan ook door een iso-enzym van AF. Dit kan door bepaalde medicijnen (bv prednison

of medicijnen tegen toevallen) of bij de ziekte van Cushing.

gGT: vrij sterk leverspecifiek. Verhoging duidt meer op galweg aandoeningen dan de AF. Als verhoogd, dan

is de aandoening al langer gaande.

Ook verhoogd bij pancreatitis of door endogene of exogene corticosteroiden (bv prednison).

AST : geeft informatie over de omvang en de ernst van de leververandering. Verhoging van de AST is

ernstiger dan een verhoging van de ALT.

Galzuren: worden door de lever gemaakt en bewaard in de galblaas. Is leverspecifiek. Verhoging bij

verminderde klaring en bij galwegobstructie.

Bilirubine: dit is een afbraakprodukt van haemoglobine (bloed o.a.). De lever voert de bilirubine via de

gal af. Bilirubine is verhoogd bij leverziekte, galwegobstructie of bij verhoogde bloedafbraak.

Bij verhoogde bilirubine ontstaan er o.a. gele slijmvliezen (icterus, geelzucht). Als het heel erg is kun je

zelfs een gele huid zien (aan de binnenzijde van de oorschelp goed te zien).

 

 

Glucose

De regulering van glucose in het bloed gebeurd door insuline. Insuline wordt geproduceerd door de Eilandjes

van Langerhans. Deze liggen in de alvleesklier.

Het glucose (suiker) wordt normaal strak tussen de 4 en 6 gehouden. Als de waarde verhoogd is kan dit wijzen

op suikerziekte. Bij een kat kan de waarde ook verhoogd worden door stress.

Als de waarde verhoogd is, wordt er bloed opgestuurd om de fructosamine te bepalen.  Als deze ook

verhoogd is, dan betekent het dat de verhoogde glucose al langer dan 2-3 weken aanwezig is. Dus dan

is de diagnose suikerziekte bevestigd.

De glucose kan ook te laag zijn, dit kan vooral nog wel eens voorkomen bij pups van een klein ras door

onvoldoende te eten. Het kan ook wijzen op een insuloom (tumor van de alvleesklier).

 

 

Eiwitten

TE: Het totaal eiwit wordt onderverdeeld in 4 eiwitten, nl de albumine, α-eiwitten, β-eiwitten en de Y-eiwitten.

In het standaard bloedonderzoek wordt alleen het totale eiwit bepaald. Als deze afwijkend is dan wordt er

bloed opgestuurd voor de verdere bepaling van de soorten eiwitten. Het totale eiwit kan verlaagd zijn door

verminderde aanvoer (slecht eten) of verminderde aanmaak in de lever of door verhoogd verlies via de darmen

(bv diarree) of urine (nierfalen).

Het TE kan verhoogd zijn door bepaalde virus- of parasitaire infecties of door ontstekingen. Het kan ook

verhoogd lijken door teveel vochtverlies.

 

Natrium 

Natrium is erg belangrijk bij de regulering van de waterhuishouding in het lichaam. Ook speelt het een rol bij

de werking van spieren en zenuwen. Verlies van natrium  geeft niet persé een te laag natriumgehalte, maar geeft

wel een verminderd bloedvolume waardoor de bloeddruk daalt. Hierdoor kan shock optreden.

De oorzaken van een te laag natriumgehalte is tekort aan antidiuretisch hormoon (ADH-tekort) en de ziekte van

Addisson of teveel water drinken door psychische oorzaak, ook kan het voorkomen bij nierfalen, hartfalen,

levercirrose of chronisch vochtverlies (diarree, braken). Een te laag natriumgehalte geeft verwardheid, sloomheid,

spiercontracties en epileptische toevallen.

Als het lichaam teveel natrium bevat (natriumgehalte zelf hoeft dan niet verhoogd te zijn) stijgt de bloeddruk,

hierdoor kan er vocht uit de vaten treden en in de ruimte rond de cellen terechtkomen waardoor de weefsels

opzwellen (oedeem). Te hoog natriumgehalte komt voor als er te weinig water wordt gedronken, bij braken,

diarree, koorts, nierfalen of ook door een ADH-tekort (als er teveel wordt uitgeplast en niet genoeg wordt

bijgedronken). Ook diuretica kan een oorzaak zijn.

De belangrijkste symptomen bij een te hoog natriumgehalte zijn verwardheid, spiercontracties, epileptishe

aanvallen, coma en overlijden.

 

 

Kalium

Het kaliumgehalte wordt tussen nauwe grenzen gehouden, dit gebeurt door het in de cellen opgeslagen

kalium te gebruiken . De hoeveelheid kalium in het lichaam wordt vooral geregeld door de nieren.

Bij nierfalen kan er zowel een tekort of een teveel aan kalium ontstaan. kalium inname gebeurt via het voedsel.

Kalium te laag kan ook nog wel eens bij suikerziekte optreden, bij braken, diarree of anorexie (niet eten).

Kaliumverlies via de urine kan door nierfalen, ziekte van Cushing en diuretica.

Een te laag kalium geeft constipatie, spierzwakte, verlamming, hartfalen en hartstilstand.

Een te hoog kaliumgehalte kan optreden bij een urinewegverstopping of een gescheurde blaas, ziekte van

Addisson, nierfalen, brandwonden of door ACE-remmers. Een te hoog kaliumgehalte veroorzaakt

hartritmestoornissen en –stilstand.

 

 

Calcium

Het calciumgehalte wordt strak gereguleerd in het bloed. Een te hoog calcium kan optreden bij bepaalde

soorten tumoren (bottumor, melkliertumor, anaalkliertumor) of sommige aandoeningen, zoals

hyperparathyreoidie (bijschildklier), hyperthyreoidie (schildklier), ziekte van Addisson, nierfalen, teveel

vitamine A of D.

Een te hoog calcium kan veel drinken en plassen geven, anorexie, misselijkheid, constipatie, spierzwakte,

botpijnen, nierstenen en nierfalen, hartritmestoornissen. Ook psychische symptomen zoals angstig of

depressief gedrag. Ook kunnen er metastatische calcificaties optreden (bv in de hartkleppen).

Een te laag calciumgehalte komt het vaakst voor bij overmatig calciumverlies via de urine of bij een te

lage concentratie bijschildklierhormoon. Ook mogelijk door vitamine D gebrek of onvoldoende inname

van calcium via de voeding. Een te laag calcium kan geleidelijk de hersenen aantasten en psychologische 

en neurologische symptomen geven. Vaak is de calciumspiegel al behoorlijk laag voordat dit symptomen

geeft.

 

Fosfaat

Fosfaat is afkomstig van eiwitten in de voeding. Fosfaat is nodig bij de vorming van bot, gebit, bij de

energieproduktie van de cel en DNA.

Een te laag fosfaatgehalte  kan ontstaan door nierfalen, hypothyreoidie, hyperparathyreoidie, ernstige

ondervoeding, diabetische ketoacidose (gevaarlijke toestand die kan ontstaan bij slecht gereguleerde

suikerziekte). Ook bij herstel van een ernstige ziekte kan het fosfaatgehalte gevaarlijk laag worden.

Symptomen van een te laag fosfaatgehalte treden pas op als het gehalte zeer laag is: spierzwakte, botpijn,

botbreuken, coma.

Een te hoog fosfaatgehalte ontstaat door ernstig nierfalen. Meestal zijn er geen symptomen van een te

hoog gehalte. Te hoog gehalte geeft botpijnen en een hogere kans op breuken, ook kan er verharding van

de bloedvaten plaatsvinden waardoor er een verhoogde kans is op een hartinfarct en een slechte circulatie.

Kristalvorming in de huid kan tot erge jeuk leiden.

 

Schildklierhormoon

T4- Dit hormoon wordt uitgescheiden door de schildklier. Het is belangrijk voor de groei en reguleert

stofwisselingsprocessen in het lichaam. Het schildklierhormoon kan te hoog zijn (hyperthyreoidie,

waardoor de stofwisseling in het lichaam verhoogd is)) of te laag (hypothyreoidie, de stofwisseling is

te traag).

 

 

pancreas = alvleesklier

De pancreas zorgt voor de productie van verteringsenzymen. Deze komen terecht

in de darmen waar ze zorgen voor de vertering van de diverse voedinstoffen, de

voedingstoffen worden in miniscule kleine stukjes gebroken waarna ze via de

darmwand kunnen worden opgenomen.

Bij een ontsteking komen deze verteringsenzymen in de pancreas zelf terecht waardoor

deze verteerd wordt. Bij een insufficiëntie komen er onvoldoende verteringstoffen in

de darm.

In de alvleesklier liggen ook de eilandjes van Langerhans, deze produceren insuline

  voor de regulering van de glucose (zie eerder)..

PLI= pancreas lipase. De beste test om pancreatitis (alvleesklier ontsteking) vast te stellen. Deze zal dan

verhoogd zijn.

TLI= trypsinogeen en trypsine. Normaal zit er slechts een beetje in het bloed. Voor het definitief vaststellen

van EPI (exocriene pancreas insufficiëntie). Voor de diagnose pancreatitis niet waardevol.

 

 

 

Witte bloedbeeld

Dit zijn de leucocyten, zij zijn onderdeel van het immuunsysteem. De

leucocyten worden onderverdeeld in de granulocyten (basofielen,

neutrofielen en eosinofielen) en de agranulocyten (lymfocyten,

monocyten en de macrofagen). Elke soort witte bloedcel heeft specifieke

functies die belangrijk zijn voor de afweer.

Neutrofielen zorgen voor de eerste afweer tegen bacteriën en andere ontstekingen.

Eosinofielen bestrijden vooral parasitaire infecties. Verhoging kan duiden op een

parasitaire infectie of een bepaalde immuunreactie (IgE gemedieerd).

Basofielen zorgen vooral voor allergische reacties en antigeenrespons.

Hierbij komt histamine vrij waardoor er een ontsteking ontstaat.

Lymfocyten zijn belangrijk voor de specifieke immuunrespons. Zij zorgen er oa voor dat een bacterie of virus

herkend wordt waardoor ze er sneller tegen kunnen vechten. De monocyten spelen een grote rol bij deze

herkenning. Zij ‘eten‘ als het ware de boosdoener op en presenteren deze aan de T-cellen (hoort bij de

T-lymfocyten) die dan deze herkent.

 

 

Rode bloedbeeld, dit zijn de rode bloedcellen (erythrocyten)

De rode bloedcellen zorgen voor het vervoer van zuurstof van de longen naar alle weefsels en de afvoer

van kooldioxide.

De hematocriet (Ht) is waarde die aangeeft hoeveel rode bloedcellen er zijn verhoudingsgewijs. Als de

hematocriet laag is, dan is er sprake van bloedarmoede. De oorzaak hiervan kan bloedverlies (bloeding, vlooien)

of een verhoogde afbraak van bloedcellen Ook kan er sprake zijn van een verminderde aanmaak van bloedcellen.

MCV, MCH, MCHC  De grootte, de kleur en de vorm van de bloedcel zelf kunnen een aanwijzing geven over de

oorzaak van bloedarmoede.

 

En zo is er nog veel meer te meten. Kijk ook voor verdere specifieke bloedonderzoeken bij de aandoeningen

en ziektes